Hoewel de formuleringen van de fundamenteel theologische concepties over het Hinduisme zich verliezen in de grijze oudheid der wereld geschiedenis, zijn de principiële waarden van haar systeem door de eeuwen heen realistisch gebleven. Naast de vele verheven religieus filosofische Stanza’s, die het levenspatroon van de gelovige volgelingen der Veda’s richting geven, blijven de zuiver praktische en aan het dagelijks leven aangepaste instructies een kardinale plaats innemen.
Ook kan in dit context de wetenschappelijke waarde der Vedische literatuur niet genoegzaam worden benadrukt. De wetenschappelijke geest zoekt en analyseert nu nog in het atoom-tijdperk de verheven idealen en concepties dezer leerstellingen in Oost en West.
Meer nog. Elke zinsconstructie wordt nog steeds door de research-scholar op haar exactheid getoetst. Een gedurfde uitdaging van deze tijd is de herevaluatie en herbeschouwing van de allerhoogste formulering uit de Veda’s namelijk de Gaytri Mantra op haar grammaticale correctheid en dientengevolge het gewicht van de invocatie. Om een enkel voorbeeld te noemen Tasya Savitu – Tassa Savitu – Tassavitu -Tatsavitu of Dhyo Yona – Dhyo Yanna etc. De betekenis der exacte (her)formulering zal de onderzoeker een primordiale plaats moeten toekennen indien men de wijze van overdracht via Smriti en Shruti van generatie op generatie in ogenschouw neemt.
Treffend tekende de historicus Mac Donald op ” The Veda’s are still learnt by heart as they were long before the invasion of Alexander the Great and could even now be restored from the lips of religious teachers if every manuscript or printed copy of them were destroyed”. Over de overlegging van de Gaytri Mantra en haar onwrikbare weerstand tegen de aanvallen des tijds schreef de geleerde ” A Vedic Stanza of Immemorial antiquity, addressed to the Sun God Savitri, is still recited in the daily worship of the hindu’s”.
Veda betekent ”weten” dus kennis oftewel heilige kennis. De vier Veda’s in de conventionele zin van het woord zijn: de Rig Veda ( 10.552 mantra’s), de Yajur Veda (2086 mantra’s), de Sama Veda (1875 mantra’s) en de Atharva Veda (5987 mantra’s). Tot deze categorie rekent men ook de Brahmana’s, de Upanishad’s, de Aranyaka’s en de Sutra’s. Deze laatste vinden aansluiting bij een der Samhita’s waardoor men hen een correlatieve functie toekent. Over het ontstaan en de ouderdom van al deze werken bestaat een aantal theorieën. Het noemen van de astronomische getallen is hierbij geen uitzondering. Vast staat dat zij voor de Buddhistische periode (500 jaar voor Christus) reeds bestonden. De Veda’s zijn in het Vedisch de oertaal, de bron van het klassieke Sanskriet geschreven.
De 20.500 Stanza’s van de Veda’s staan, met uitzondering van enkele proza-passages, in poëzie. De Rishi’s die de Vedische periode oftewel Krita of Satya Yuga hebben bezongen, hielden hun blikken meer gericht op positieve waarden die het leven (ook de dood) te bieden heeft. Het volle leven met al haar facetten werd evenwichtig beoordeeld en beschreven. De scherp onevenwichtige inslag van de primitieve mens, die het ochtendgloren van de dageraad der civilisatie meemaakte heeft in de Veda’s niet de boventoon kunnen voeren. Controversen tussen primaire biologische instincten (beveiliging, voeding, kleding, behuizing etc.) of tussen de actieve en contemplatieve faculteiten die de voorzienigheid ons schenkt of tussen materie en geest, kregen een harmonische behandeling. Het verschijnsel van de split-personality en de daaraan verbonden angstpsychose of de oppressieve zin van de kosmische tragedie met de diepe melancholie die het induceert komen er niet in voor. Tekenen van repressie vergezeld van morbide zonde bewustzijn bezingen zij evenmin. Ook worden er geen negatieve attitudes, ingegeven door desillusie, frustratie of mondiale vermoeidheid, erin aangetroffen.
De Vedische stellingen zijn derhalve positief in het accepteren van zowel het leven als de dood, alsook van de imperfecties, die de beslommeringen van het leven insluiten. Deze positieve instelling culmineert in het accepteren van de uiteindelijke Waarden der Waarheid, Schoonheid, Goedheid en Eeuwige orde. De intens religieuze inslag van deze waarden vindt haar oorsprong in de aanwezigheid van het Goddelijke in de Schoonheid en glorie van het Heelal.
Zaligmakend en radiant is de Vedische poëzie met liefde voor het leven en energie voor actie, terwijl het verheven Geloof in Goddelijke inspiratie bekroning vindt in de keuze van het Woord. Het Woord, dat de mensheid in vriendschap en liefde vindt, is in de Veda’s het samenspel van Satya (waarheid), Rita (Eeuwige Orde) en Tapah (Geestelijke vuur).
(Geschreven door: Dr.Mr. Drs. J.H. Adhin)